Het gravitatieveld wordt bepaald door een combinatie van verschillende metingen:
In situ metingen:
- Terrestrisch (absolute en relatieve gravimetrie)
- Mariene metingen
- Airborne metingen
Satellietmetingen:
- Satelliet-altimetrie
- Satellite Laser Ranging (SLR)
- high-low Satellite-to-Satellite Tracking (hl-SST)
- low-low Satellite-to-Satellite Tracking (ll-SST)
- Satelliet-gradiometrie
Bij satelliet-altimetrie wordt de hoogte van het zeeoppervlak bepaald. Dit zeeoppervlak zou immers in rust de geoïde volgen. Afwijkingen ten gevolge van oceaanstromingen en getijden vormen bij deze methode een extra foutenbron. Meer informatie hierover is hier te vinden.
De overige satellietmetingen zullen apart behandeld worden. We zullen ons nu kort richten op de terrestrische, mariene en airborne metingen. Deze vinden absoluut of relatief plaats.
Bij een absolute meting laat men een massa vallen in het luchtledige. De afgelegde afstand is bekend, men hoeft dus slechts de gebruikte tijd nauwkeurig te meten om de valversnelling (zwaartekracht) te berekenen. Vervolgens moeten de externe factoren (rotatie aarde, getijden e.d.) verwijderd worden om een absolute gravitatiemeting over te houden.

FG5 absolute gravimeter van Micro-g Lacoste.
Bij een relatieve meting is het instrument eerst geïnitialiseerd op een punt met een bekende gravitatie. Vervolgens wordt het instrument verplaatst. De veer in het instrument slaat dan meer of minder uit, wat duidt op meer of minder zwaartekracht. Ook hier zullen externe factoren verwijderd worden om een (relatieve) gravitatiemeting te verkrijgen.
Op bewegende platformen (schepen en vliegtuigen) zullen ook andere factoren nog verwijderd moeten worden, zoals de versnelling van het platform en Coriolis-krachten.